Mauretaans dagboek: Te korte snorkel in de vloed

In zee verschijnen vaak rugvinnen: dolfijnen. We hebben een bootje. De dolfijnen zwemmen mee en duiken er onderdoor. Zelf zwemmen we soms ook, bij wijze van douche. We zwemmen niet met dolfijnen. Wel bijna met haaien. Als we door de telescoop ringen staan af te lezen, voel ik de vloed langs mijn benen omhoog kruipen. Tien meter voor ons steken haaienvinnen uit de soep van waaierend zeegras. Twee haaien van anderhalve meter. Voor de zekerheid waden we vast naar het bootje.

Aan de overkant van een geul draven kanoeten rond, als naaimachientjes in de bodem pikkend. Maar wacht, één heeft problemen. Zijn ene pootje zit klem. Hij worstelt om los te komen. Is het een schelp die hem gevangen houdt? Een steen? Het is niet te zien. De vloed komt op. Hij zal weldra ten onder gaan. Eén van ons waadt erheen maar zakt meteen tot zijn kruis in het slijk. De vogel is onbereikbaar. Het water stijgt. Zijn soortgenoten, familieleden misschien, negeren zijn wanhopige gespartel. Ze blijven eten tot het water hun tenen overspoelt. In één beweging stijgen ze op en snorren ze naar hoger, droger terrein. De beklemde kanoet blijft alleen achter. Het water kruipt omhoog langs zijn poten, golfjes kabbelen tegen zijn buik. Zijn flanken en vleugels raken doorweekt. Alleen zijn kopje steekt nog boven water uit. Tot ook dat onder water verdwijnt. Nog zeker een paar minuten ploetert hij door en telkens als hij verdwijnt, steekt hij toch weer zijn snavel omhoog. Tot ook die snorkel te kort blijkt. Bedrukt lopen we verder.

(oorspronkelijk gepubliceerd 26 jan. 2009)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *