Mauretaans dagboek: Kanoet

Een lannervalk in het dorpje Iwik. © FOTO JEROEN RENEERKENS

Met eb vallen de wadplaten en zeegrasvelden in de Banc d’Arguin droog. Ideaal voor kanoeten. Kanoeten eten schelpdiertjes. Die slikken ze zonder kauwen door en kraken ze in hun gespierde maag. De weekdieren graven zich in, maar kanoeten vinden ze met een vleermuis-achtige techniek. Hun snavelpunt zit vol hooggevoelige zenuwen. Door in de bodem te pikken, veroorzaakt een kanoet een drukgolfje. Dat plant zich voort, wordt door schelpen teruggekaatst en opgevangen door de snavel. De sonarsnavel is ontdekt door bioloog Theunis Piersma. Het systeem werkt niet in droge of doorweekte, alleen in vochtige grond. Kanoeten zoeken daarom altijd voedsel op de grens van nat en droog. Op het wad dus. Kanoeten houden van gezelschap en zoeken in groepen naar voedsel. Vlakbij de kust liggen de grootste porties. Toch trekken de meeste kanoeten ver het wad op. Het viel bioloog Piet van den Hout op dat vooral jonge vogels aan de kust blijven. Die zijn nog niet gepokt en gemazeld. Voor hen is de snelle hap aan de kust verleidelijk. Maar in een kleine groep zijn ze kwestbaar voor valken. Valken vallen regelmatig kanoeten aan. Die vliegen dan massaal op. In grote zwermen is het veiliger dan in kleine. Toch zitten er altijd wel wat volwassen vogels tussen de jonkies aan de kust. Waarnemingen van gekleurringde vogels geven Piet het idee dat die volwassen vogels er hooguit een paar dagen blijven. Hij vermoedt dat ze verzwakt zijn en het valkenrisico nemen om aan te sterken. Voor hen valt het risico trouwens mee. Een valk krijgt eerder een onervaren jonge vogel te pakken.

(oorspronkelijk gepubliceerd 27 jan. 2009)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *