Maandelijks archief: augustus 2009

Groenland 16 – IJsbeer

In een waarschuwingsfolder over ijsberen lees ik de truc van het ontkleden. Ik zou nu wat meer kledij kunnen afstaan, maar een boze beer met honger of met jongen taalt volgens mij niet naar rondslingerende kleren. Die valt aan en rent aanmerkelijk sneller dan ik, ondanks mijn uitstekende bergschoenen. Ze komen hier zelden, maar je zult beleven dat als er dan eens één komt, ik juist in mijn eentje rondsjouw. Beren met honger of jongen zijn er in de lente. Het is nu lente.

In een rommelhok van het veldstation liggen een paar knalgroene paraplu’s. Stichter Hans Meltofte gebruikte die tegen ijsberen. Ook op Spitsbergen, waar veel ijsberen zijn, bewapenen onderzoekers zich met paraplu’s. Als je de plu openklapt, schrikt de ijsbeer zo van het plotselinge, oogverblindende groen, dat hij op de vlucht zou slaan. Hans heeft voor Zackenberg extravagante modellen uitgezocht, waar met de plu een soort kikkergezicht met grote ogen uitklapt. Leuk voor kinderen, de schrik voor ijsberen.

Of zou het een ijsbeer juist nieuwsgierig maken? IJsberen bedoelen het meestal niet kwaad, maar hun nieuwsgierigheid kan angstaanjagend zijn. Nico Tinbergen schrijft er droog over in Eskimoland: ‘Een ijsbeer die niet aangevallen wordt, schijnt zelden gevaarlijk te zijn, en de meeste ongelukken gebeuren (…) doordat een mensch, die ergens in een gebukte houding stil bezig is, door een beer niet als een mensch herkend wordt, waarop hij het vreemde voorwerp op berenmanier onderzoekt, wat wil zeggen, dat hij het een flinke klap met de voorpoot geeft, om te zien wat het doet. Dan komt van het een het ander, en dan is een gewapend mensch beter af dan een ongewapend.’ Ik heb geen wapen. Ik heb ook geen walkietalkie of GPS. Zelfs mijn kompas heb ik niet bij me, die zit nog in mijn kleine rugzakje. Zolang het niet mist, zal ik niet verdwalen.

Groenland 15 – Poolvlinders

rups Wollige Beer

Er vliegen in Groenland twee soorten parelmoervlinders rond. De Arctische vliegt op hoge berghellingen, de ander in het laagland. Ze hebben verschillen iets in vleugeltekening, wat alleen in de hand te bekijken is. Als het koud is, kun je ze met de hand vangen. Op welke bloemen ze hun eitjes afzetten? Ik denk dwergwilg, want dat schijnen ze in Canada ook te doen. In Europa komen ze alleen in Lapland voor. De parelmoervlinders in West-Europa houden van viooltjes en nog meer bloemen die Groenland mist.

Toen ik hier twee jaar geleden in juni was, vlogen er geen vlinders, maar vonden we wel rupsen. Kleine parelmoervlinderrupsen en dikke, zwart met gele, harige rupsen. Ook hun cocons vonden we, soms met pop, soms al leeg. Hun vlinders zijn zwart en wollig: wollige beren. Beervlinders zijn nachtvlinders, maar tijdens hun vliegtijd valt de nacht nooit. De rupsen zijn uitstekend bestand tegen de lange poolnacht, dankzij de glycerol die door hun aderen stroomt. Antivries. Ze leven zeven tot veertien jaar voor ze één zomer als vlinder rondfladderen. Zeven jaar rups voor zeven weken vlinder.

Behalve vlinders en muggen zijn hier hommels en vliegen. Drieteenstrandlopers pikken de vliegenmaden uit de rottende krengen van muskusossen. Die krengen kunnen maar twee maanden per jaar rotten en dan rotten ze goed ook. Het gonst er van de vliegen. De veronderstelling dat de strandlopers aan de Noordpool een steriele leefomgeving vinden, treden ze met hun (drietenige) voeten. Maar waarom broeden ze dan zo vreseljk noordelijk? Lees er alles over in Een Groenlander in Afrika.

Groenland 14 – Oude wijven

Bontbekplevier

Vlakbij het veldstation ligt een plasje dat in trek is bij franjepoten en ijseenden. De laatste hebben een bruinwit verenkleed met lange puntstaart. In het Engels heten ze longtailed duck, en ook in de Verenigde Staten raakt die naam in zwang.

Daar stonden ze vanwege hun gesnater bekend als old squaws, oude wijven, maar die naam wordt racistisch gevonden omdat squaws indiaanse vrouwen zijn.

Mogen wij scholeksters nog wel bonte pieten noemen? In Afrika komt een zwarte scholekster voor. De zwarte piet?

Eskimo is ook een verboden term. Het is een indiaans woord en betekent rauw vlees-eter. In boeken staat dat Groenlanders het beledigend vinden. Inderdaad bestond het Groenlandse menu tot voor kort voor het leeuwendeel uit rauw vlees. Dat was ook wel praktisch in een land zonder hout of andere brandstof, uitgezonderd walvistraan. Zodra er een zeehond, hond of zeekoet geslacht werd, verdeelden de aanwezigen het hart, de longen en de lever. Smullen! Tegenwoordig bakken, braden en koken Groenlanders meer, maar vlees lusten ze nog altijd rauw. Een Groenlander geeft me zeehondenvlees. Lekker is het niet, wel rauw. Hij schaamt zich er niet voor. Waarom zou hij ook? Zijn Europese bloedworst en Amerikaanse filet niet ook rauw? Eskimo zal door de Cree-indianen wel denigrerend bedoeld zijn.

foto Sneeuwgors man

Sneeuwgors man

Zoals Nederlanders kaaskoppen genoemd worden. We moeten Eskimo’s Inuit noemen in plaats van Eskimo’s. Eén Inuuk, twee of meer Inuit. Zo noemen ze zichzelf immers ook? Ja natuurlijk, Inuit betekent mensen, en zo noemen mensen zichzelf. Emil ook, maar op de vraag of hij Eskimo een vies woord vindt, schudt hij verbaasd zijn hoofd. Het lijkt hem niets uit te maken.

.

Groenland 13 – Droge kont

Dryas integrifolia

Die bloemen hier! Ik zou u ze willen laten zien: cassiope, de stugge miniplantjes met op pyrola lijkende bloempjes, hangend als klokjes. De arctische klaprozen die in citroengele pollen de kaalste berghellingen kleuren. De zon schijnt er dwars doorheen. Het Jacobskruid en de Arctische goudsbloem. De laatste is handig als je op oud, glad ijs je knie openhaalt. Op oud ijs zit een vlies van bacteriën en goudsbloem ontsmet. Het wollegras, de steenbreken, ranonkels en silenes. De drie soorten kartelblad en het alpenroosje. Maar om nou over elke poolbloem een natuurdagboek vol te pennen…

Dat wollegras is Scheuchzers wollegras. Het is een éénarige wollegras, met een wollige bloem, die na de bloei een gele kuif krijgt. Hij groeit ook op de toendra’s van Spitsbergen en Lapland, en op hoge Alpenweiden. Vandaar zijn naam. Die is zo uit de Sound of Music gestapt, je ziet de Lederhosen voor je.

Eén van de mooiste en tevens behulpzaamste planten op de Groenlandse toendra is dryas integrifolia – subtiele witte bloempjes met een geel hartje. Ze vormen tot de kaalste puinhellingen begroeide eilandjes, waarop drietenen kunnen broeden. Heel vaak zitten ze op een toefje dryas. Dat doen ze misschien omdat ze tussen de plantjes een kuiltje kunnen wroeten, maar vooral omdat het er droog is. Ook waar de helling er droog uitziet, kun je tot je knie in zuigende modder zakken. Dryas groet daar waar de sneeuw gesmolten en het smeltwater verdampt is. Als we willen zitten, ploffen we neer op dryas. Daar houd je je kont droog. Dat maakt de naam dryas makkelijk te onthouden, omdat je er een dry ass houdt

Groenland 12 – Gans kleef aan

Twee ganzen cirkelen vleugel aan vleugel boven het veldstation. Een witte gans met zwarte vleugelpunten en een bruine met een witte kop. De witte is een sneeuwgans, maar de bruine? Volgens Jannik houdt die gans het midden tussen brandgans en sneeuwgans. Een kruising? Hybride heet dat tegenwoordig. De witte landt temidden van de barakken, op het geïmproviseerde strandvolleybalveldje. Sneeuwganzen wonen in Noord-Amerika en dwalen regelmatig af naar de Groenlandse westkust. Maar hier, zo noordelijk aan de oostkust, zijn ze zeldzaam. Uit de barakken snellen mensen toe.

De gans waggelt gakkend op ons af. De andere gans gakt ook, maar blijft rondcirkelen en vliegt weg. Joop haalt brood uit de keuken. De sneeuwgans bestudeert de kruimels, maar laat ze liggen. Het weerhoudt Joop er niet van te blijven strooien. Straks zullen de lemmingen het wel opeten. Ondanks zijn desinteresse voor voer, blijft de gans vlakbij de mensen. Joop stort zich ineens bovenop hem en tilt hem op. Hij overhandigt hem als culinaire geste aan kok Irene. Die laat hem weer lopen. De gans vindt alles best.

Hans en ik trekken de berg op en halen aan het eind van de middag de insectenvallen leeg. De gans vliegt ons tegemoet. Hij blijkt Jannik te vergezellen. Jannik vertelt dat de gans eerst urenlang met Joop en Jeroen meeliep, tot hoog op de Aucella. Later horen we van hen dat de gans een opgesteld klapnetje liet dichtklappen door er tegenaan te waggelen. Bijna had hij het nest met vier eitjes vertrapt. Joop nam de gans in een houdgreep en bitste hem toe dat hij echt te ver ging en zich diende te gedragen, op straffe van het slagersmes. De gans werd er warm noch koud van. Hij bleef bij hen en sukkelde in slaap, toen de mannen lunchpauze hielden. Ze braken stilletjes op, om de gans niet te wekken en zonder diens gezelschap weg te sluipen. Mooi niet! Net op dat moment riep logistiek manager Philip iets door de walkietalkie. De gans schrok wakker en zei: ‘pehpeh’.

Daarna is de vogel kilometers met Jannik meegesjouwd, af en toe gakkend. Terwijl Jannik vertelt, steekt de gans zijn hals in de gele insectenbekers, die hij leegdrinkt. Hij blijkt verzot te zijn op water met zout, zeep en spinnenkoppen. Hans rent paniekerig heen en weer om de dode insecten te redden. Jannik en wij vervolgen onze wegen en de gans kijkt naar de een, naar de ander en weer naar de een, loopt achter ons aan, kijkt nog eens over zijn schouder en vliegt toch gakkend naar Jannik. Misschien gunt hij die eenzame man zijn trouwe gezelschap meer. Misschien ook valt hij op Janniks rode jas. Of is hij gevleid omdat Jannik ’s morgens een paar van zijn keutels in een buisje had gestopt. Die Denen stoppen alles in buisjes want je weet maar nooit welke analyse je er op kunt loslaten.

Wij hebben net ons avondeten op, als naderend gegak de terugkeer van de sneeuwgans aankondigt. Daar zet hij de landing in en waggelt weer rond alsof hij hier altijd heeft gewoond. Vijf minuten later arriveert Jannik.

’s Avonds doet Philip wat schietoefeningen met zijn plaatsvervangend logistiek manager. De sneeuwgans waggelt achter hen aan. De volgende dag is hij weg. Niemand ziet hem nog.

Groenland 11- Kleinste jagers

© foto: Jeroen Reneerkens

Als de vallei nog blinkt van een dik pak sneeuw, zien we een poolvos in luttele minuten zes kilometer afleggen. Hij danst over de sneeuw. Een poolvos kan als een springveer van ijsschots naar ijsschots hoppen en zo een fjord of sont oversteken. Een sont is een fjord die niet doodloopt, een zee-engte dus. We kijken de vos na, nog in winterkleed: helemaal wit, met een grisbruin gezicht. Een dikke, witte plumeau wappert achter hem aan. Hij huppelt een berghelling op, waar hij wordt belaagd door twee jagers.

Hier mogen mensen niet jagen, zelf Inuit niet. De jagers die wij zien zijn roofmeeuwen. Hoewel ze als kleinste jagers bekend staan, zijn het fikse vogels. Maar de andere drie Europese jagersoorten zijn nog groter: de grote, de middelste en de kleine jager. Hier zijn alleen kleinste jagers. Met hun witte hals en buik, hun gelige kop, zwarte kruin en vooral de decimeters lang uitstekende middelste staartveren zijn ze een zeer elegante verschijning. En behendige vliegers bovendien. De jagers duiken om beurten op de vos, die ze probeert te ontwijken. Poolvossen zijn gek op eieren, ook van jagers. Deze twee lossen elkaar af en de vos kan alleen maar rennen, na iedere stootduik zijn kop schuddend. De vos vlucht en de roofmeeuwen keren terug naar hun nest.

Als de vos het nest wist te vinden, zou hij erheen zijn gerend, ongeacht beide aanvallers. Doorgaans zijn de vogels geen partij voor een vos. Maar als kleinste jagers zouden samenwerken en in een kolonie broedden, zou een vos geen kans maken. Kleinste jagers werken alleen niet samen en hun eieren worden geroofd.

Groenland 10 – Poolvos

Poolvos jong

Hoe prachtig poolvossen ook zijn, wij zien ze liever gaan. Er zijn vijf bewoonde burchten in ons gebied. Vossen eten lemmingen en vis. Dat blijkt uit de foto’s op een camera met bewegingssensor, die bij een hol staat. Strandlopereieren zijn tussendoortjes. Vossen vinden de meeste nestjes. Of wij vossen de weg wijzen als we een nest vinden? De heetgebakerde discussie hierover leest u maar in Een Groenlander in Afrika.

Drietenen worden gemiddeld vier jaar oud, blijkt uit Jeroens analyse van honderden gekleurringde vogels. Het eerste seizoen slaan ze over, dus kunnen ze drie zomers broeden. Met vier eieren per nest, zijn dat twaalf eieren in het leven van twee vogels, dus zes nakomelingen per vogel. Als daarvan één volwassen wordt, blijft het aantal drietenen gelijk. Kennelijk gebeurt dat, want hoeveel vossenvraat er ook is, de drieteenstand lijkt stabiel te zijn. Het hoort er allemaal bij. Het is de natuur.

Op de camera bij een vossenhol staan aandoenlijke pups. Eén keer verschijnt een enorme, witte wolf op de plaat. Hij kijkt naar de lens. Wolven zijn de enige vijanden van de poolvossen hier. Wolven zouden een opsteker zijn voor de vogels, omdat ze de vossen onder de duim kunnen houden. Maar wolven zijn zeldzaam en ik vraag me af: is dat wel de natuur? Misschien waren er ooit veel meer. Ergens liggen vier muskusossenschedels bij elkaar. Het zijn de overblijfselen van een schranspartij van pelsjagers. Langs de hele kust, fjorden incluis, staat om de 25 kilometer een oude fangsthütte, een pelsjagershut. Tot ver in de twintigste eeuw stroopten Deense pelsjagers de kust en de pelzen af. Poolvossen hebben zich weer hersteld, maar wolven en ijsberen zijn er nog altijd weinig.

Groenland 9 – Dries en Dreutel

Na onze schoonmaakmorgen en de lunch tijgt Jeroen naar Dries en Dreutel om daar de datalogger af te lezen en er de accu van te vervangen. Ik blijf schrijvend achter en wacht op de twinotter. Vandaag arriveren Joop en Hans, een nieuwe Deense en drie Zweden. Niels vertrekt. Het is het eerste vliegtuigje sinds wij twee weken geleden kwamen en het laatste tot ik over twee weken afscheid neem. Toch nog onverwacht hoor ik het geronk aanzwellen. Tegen de bergen, de fjord, de weidsheid van de toendra valt het vliegmachientje weg als een insect. Maar de bromvlieg groeit met de minuut en landt in een gele wolk poolzand en kerosinedamp. Joop en Hans hebben post bij zich. Een brief van mijn ouders en een brief van Inge. Aan het eind van de middag trek ik me met een beker koffie terug aan een zonnige picknicktafel en lees. Inge schrijft dat ze de nacht na mijn vertrek wakker schrok, toen een schorre stem ‘Koos’ riep. Toen ze het nog eens hoorde, vond ze het gesmoorde geluid toch wel op een meerkoet lijken. De meerkoeten in de sloot achter ons huis missen me! Mijn moeder vraagt of we nog meer vogels vangen en ringen dan drieteenmeeuwen. ‘Er staat in Zien is Kennen ook een drieteenzandlooper!’ schrijft ze. Wel vaker denken mensen dat we met drieteenmeeuwen bezig zijn. Die zijn kennelijk bekender dan drieteenstrandlopers. Niemand verwart de drieteenstrandloper met de drieteenspecht. Maar die laat Zien is Kennen dan ook zien noch kennen.

Ik roep Jeroen op via de walkietalkie.

‘Ik heb’, zegt hij, ’slecht nieuws.’ O nee, dat zal toch niet waar zijn? Maar het is waar.

‘Het nest van Dries is weg.’ Wel verdomme! Een vos?

Die arme Dries en Dreutel. Zes- of misschien wel twaalfduizend kilometer vliegen, tweederde van haar lichaamsgewicht aan eieren leggen, gevangen en gewogen worden, en dan een vos. Maar de lente is nog jong, ze zouden best eens opnieuw kunnen beginnen. Taaie rakkers!

‘Niks aan te doen’, zeg ik.

‘Niks aan te doen’, zegt Jeroen.

Groenland 8 – Eiroof

PoolvosPoolvossen kapen driekwart of meer van alle drieteennesten weg. Heel frustrerend lijkt me dat voor die strandlopers. Als een vos toeslaat, vlucht de broedende vogel weg, om na een uur nog even op het nest plaats te nemen. Dat weten we dankzij piepkleine thermometertjes tussen de eitjes. Het themperatuurverloop wordt opgeslagen in een apparaatje zo groot als een luciferdoosje, dat we onzichtbaar ingraven.

Daarop zien we hoe snel een nest afkoelt als er niet wordt gebroed. De eieren zelf blijven langer warm, maar de lucht ertussen koelt meteen af. Na tien minuten is de buitentemperatuur bereikt. Tegen de ochtend daalt de temperatuur in een blootgesteld nest tot rond het vriespunt. Zodra een vogel terugkeert, schiet de temperatuur omhoog tot tegen de veertig graden. Dat is de lichaamstemperatuur van vogels. Vader en moeder drieteen hebben in deze periode kale plekken op hun buik, waardoor ze de eieren veel warmte geven.

Een uur na de vos keert een vogel nog één keer kort terug. Even checken of de eieren echt weg zijn? Maakt de vogel zich dat laatste uur ernstige zorgen? Of vergeet hij de vos en keert hij na een tijdje net als anders terug naar het nest? Om daar te ontdekken dat er geen eieren meer zijn. Er moet na al dat broeden toch spijt, teleurstelling of verdriet door zo’n vogel gaan? Anders misschien dan hoe wij verdriet voelen, maar in ieder geval een rotgevoel.

Meestal zien we de vogels van een opgegeten nest niet meer. Ze vliegen waarschijnlijk meteen terug, duizenden kilometers naar het zuiden. Het ronde nestkuiltje is bekleed met een dikke laag droge dwergwilgenblaadjes. Alles voor niets geweest.