Maandelijks archief: juli 2009

Groenland 7 – Kleinoden van katjes

Op Noordoost-Groenland groeien geen bomen, zeggen ze. Maar dan is buiten de arctische poolwilg gerekend. Waar de eerste sneeuw wegsmelt, steken wilgenkatjes hun kop op, echte wilgenkatjes. Een twijg, bij bejaarde exemplaren gegroeid tot knoestig stokje, gaat half schuil in het zand. Fier richten zich daar de katjes uit op, eerst groenig en viltig maar algauw intens roze of purper met geel. De Denen noemen de poolwilg pil, misschien vanwege de ovale vorm in felle kleuren. Er zijn hier, merk ik naarmate het seizoen vordert, veel plantensoorten en een deel ervan is een miniatuur-uitvoering van een versie bij ons. Zoals ze de miniwilg hebben, hebben ze het dwergwilgenroosje. Die roze bloem is zelfs het nationaal symbool van Groenland. De seizoenen volgen elkaar hier snel op. Van de lente tot herfst – het moet in drie maanden worden afgeraffeld. De ene week ziet het geel van de arctische klaprozen, een week later verschijnt de blauwe glans van het Jacobskruid. De pluizen van wollegras of de witte klokjes van cassiope – alles schittert in het licht van de immer laaghangende zon. De poolwilg is één van de mooiste en het hele seizoen present. Als de laatste en hoogste schaduwplekken hun sneeuwjas kwijt zijn, steken daar meteen de katjes hun vurige kleuren omhoog, terwijl hun eerste broeders al uitgepluisd zijn. Die wilgjes van het eerste uur zetten sommige valleien in juli al in hersftinten. Maar even verderop staan ze nog in volle bloei. De van lichtgeel tot wijnrood verkleurende dwergkatjes zijn in elke kleurfase schitterend, en in tegenlicht helemaal onweerstaanbaar. Wie het kleine niet eert, moet eens op de toendra rondneuzen.

Groenland 6 – Drieteen

nest met eieren DrieteenstrandloperWe zoeken nestjes op dezelfde manier als Friese kievitseizoekers. Alleen verbergen drieteenstrandlopers hun eieren veel beter dan die sullige kieviten. Ik keek een keer uit mijn raam in Nederland en zag in de verte een kievit geheimzinnig rondsluipen. Ik dacht: die heeft een nest. De kijker gepakt en ja hoor, al gauw ging de vogel draaikonten en zitten. Om een drieteentje op broeden te betrappen is meer nodig.

Jeroen wil van alles weten over drieteenstrandlopers en daarvoor moeten we ze wel vangen, hoe vervelend dat ook voor ze is. Gelukkig zijn ze als ze broeden niet bepaald opvliegend. Soms blijven ze zelfs zitten en kun je ze van het nest tillen. Ook proberen ze ons weg te lokken door even verderop net te doen of ze op de eieren plaats nemen. Of door met lage kop en bolle veren weg te vluchten. Dan lijken ze op een lemming. Misschien trapt een poolvos erin, maar wij niet.

Vossen zijn de geduchtste vijanden van de strandlopers, waarover een andere keer meer. Verder zijn hier raven, grote burgemeesters en kleine jagers, die gevaarlijk zijn voor kuikens, maar die zo schaars zijn, dat ze niet veel uitrichten. Grote burgemeesters zijn enorme meeuwen, kleine jagers zijn roofmeeuwen. Behalve vossen zijn hermelijnen gevaarlijk, al zien we maar één keer een hermelijn. Die jaagt onder de barakken in ons veldstation op lemmingen. Wolven en ijsberen zijn er nauwelijks. Muskusossen kunnen nesten vertrappen. Een van de onderzoekers hier in Groenland vond een diepe pootafdruk in de modder met onderin een geplet kuikentje. In hun lompe onwetendheid zijn grote grazers vaak grote vernielers.

Groenland 5 – Baltsende Drieteen

foto drieteenstrandloper vliegend

© foto: Gunnar Þor Halgrímsson

Jeroen en ik zakken soms tot ons middel in de sneeuw. We vorderen langzaam over de Groenlandse toendra. Eindelijk bereiken we een sneeuwvrije heuveltop. Er klinkt een zacht geluid, het houdt het midden tussen kikkergekwaak en biggengeknor. Hier leven kikkers noch biggen. Jeroen herkent het geluid als een baltsende drieteenstrandloper. En jawel hoor, daar vliegt een drieteenmannetje traag over, met razendsnel vibrerende vleugels.

‘De helicoptervlucht’, zegt Jeroen. Mooi gezicht, mooi geluid. Deze trillende vlucht doet me denken aan zo’n speelgoedvliegtuigje van rood plastic dat ik als kind bij wijze van vlieger ophield, met witte vleugels die snorrend ronddraaien. Het moet van een vogel veel vergen om dat inspannende vliegen in slowmotion vol te houden.

‘Daarom’, zegt Jeroen, ‘zal het wel aantrekkelijk zijn voor vrouwtjes. Een mannetje bewijst er immers mee dat hij kan presteren?’ Of de vogels dat zelf ook zo beredeneren is nog maar de vraag. Waarschijnlijk vinden vrouwtjes die baltsvlucht gewoon aantrekkelijk en proberen mannetjes elkaar ermee te overtroeven. Maar we kunnen niet in het 2,5 centimeter metende hersenpannetje van de drieteen kruipen. Terwijl wij over het gevoelsleven van strandlopers speculeren, blijft de knorkwakende trilvlieger volhardend vrouwelijke aandacht trekken. Hij doet dat op de grens van sneeuw en sneeuwvrij.

In de verte zijn klinkt dat knorrende gekwaak ook. Jeroen snuift minachtend als ik beweer dat het geluid van bonte strandlopers wel wat wegheeft van de drieteenzang.

’Dat schelle gesnerp? Dat lijkt er niet op!’ Jeroen heeft het niet zo op bontjes, die in lagergelegen, nat terrein broeden.

’Ik heb niets tegen bontjes’, beweert hij, al kan hij geen strandlopersoort bedenken die hij minder mooi vindt.

Groenland 4 – Nog meer muggen

Verbazingwekkend veel muggen storten zich uitgehongerd op de warmbloedige voorbijganger. Op mij dus. Groenland is 3000 bij 1500 kilometer. Er wonen evenveel mensen als in Assen. De dichtstbij ons gelegen stad is Scoresbysund. Het heeft 600 inwoners en ligt op 500 kilometer afstand. Mensen zijn hier een zeldzame prooi voor muggen. En een gemakkelijke. Omgekeerd laten zij zich gemakkelijk doodslaan, misschien omdat ze geen mensen kennen. Ze zijn er vast niet aan gewend dat hun bloeddonors terugslaan. Als wij hier niet waren, waar zouden al die muggen die ons prikken dan hun bloedworst vandaan moeten halen? Deze muggen kunnen zonder bloedmaaltijd eieren leggen, bij gebrek aan beter lukt het ook met stuifmeel van toendrabloemen. Dat lees ik in een Deens boek over Groenlandse insecten. Sommige muggen, vooral in de arctis, kunnen zich redden met ‘blomsterhonning og andre plantesafter’.

Het voortplanten lukt ze goed. Hun aantal is onvoorstelbaar. Waar je ook kijkt, is het luchtruim gespikkeld van vliegende muggen. Deetvrije muggenolie werkt twee minuten, mits je geen centimeter huid vergeet. Je blijft je insmeren tot het flesje op is. Deethoudend spul werkt een half uur, maar daar schijn je huidkanker van te kunnen krijgen. Kies ik voor de lange of de korte termijn? Ik ga binnen zitten. Maar ook binnen zijn ze. Ze vliegen mee met in- en uitlopenden, de deur staat weleens open, een hor waait uit zijn kozijn. Toen ik na een zoemende nacht uit bed klom, telde ik 150 muggen in het kamertje. Maar het kan nog erger. Jeroen laat een foto van hem zien in Canada, met zwarte handschoenen.

‘Daar had ik blote handen’, zegt hij.

Groenland 3 – Muskusossen

© foto: Jeroen Reneerkens

Ons Groenlandse veldstation ligt in een driehoekige vallei tussen de fjord in het zuiden, de Zackenberg in het noordwesten en de Aucellaberg in het noordoosten. De zijden van de driehoek zijn ruim zes kilometer lang. Van noord naar zuid doorsnijdt de rivier de vallei, die een grote slinger naar rechts maakt, voor in de fjord uit te monden. In die slinger ligt een lage heuvel met het veldstation erop. Tussen de barakken liggen vossendrollen en vele stapeltjes geitenkeutels. Maar geiten zijn hier niet. De keutels zijn gepoept door muskusossen, twee meter hoge kolossen met een opgezette rug en een onwaarschijnlijk weelderige haardos. Wandelende hooibergen. In de verte kun je ze vanuit het kamp zien grazen op de karige plukjes gras, hei en mos. Overal ligt de toendra bezaait met die keutels. Ook op de sneeuw vind je ze, waar ze kogelgaten in smelten. In het Deens is een muskusos een moskusoks. Op een oude, Deense landkaart heet een streek hier in de buurt Moskusokseland. De gigantische grazers verliezen hun woeste wintervacht. Overal liggen plukken muskusossenwol, dat wij naar de Deense streeknaam muskusokselhaar noemen. Groenlanders verzamelen muskuswol, om er warme, zachte truien van te breien. Muskusossen zijn geen ossen. Natuurlijk niet, want hoe zouden ossen zich kunnen voortplanten? Muskusossen zijn ook geen koeien en stieren, al zien ze eruit als enorme runderen. Ze zijn reuzengeiten. Met hun forse, gekrulde horens bestrijden de mannen elkaar met daverende klappen. Om die klappen op te vangen groeien de twee horens aan elkaar, via een verbreding over de kruin die eruit ziet als een weelderig blond kapsel. De muskusmannen lijken allemaal op Geert Wilders.

Groenland 2 – Op zoek

© foto: Jeroen Reneerkens

Drietenen die tussen de vegetatie scharrelen vallen nauwelijks op. Ze hebben een schutkleur en gaan vaak gebukt door het leven, wat ze op een lemming doet lijken. We moeten goed rond spieden om ze te zien, zowel in de verte als vlakbij, want het nest verlaten ze pas als je in de buurt komt. Dat spieden moeten we combineren met het vermijden van oneffenheden en diepe plassen of modder. Een extra paar ogen zou handig zijn. Jeroen lijkt die extra ogen te hebben, want er hoeft maar iets te scharrelen of voorbij te vliegen of hij staat al met de verrekijker aan zijn oogkassen geplakt. We volgen vele drieteenstrandlopers, mannetjes en vrouwtjes, ontdekken zo’n donker exemplaar (uit Afrika?) en zijn getuige van snelle knokpartijen waarbij een tweede mannetje wordt verjaagd. Een drieteen baltst enige tijd vlak boven ons, in vertraagde helikoptervlucht. We denken soms een mannetje te zien dat zich in de nabijheid van een vrouwtje nestelt, maar dat blijkt schijnbroeden te zijn. Zo laat hij misschien zien dat hij als geen ander weet hoe dat moet, broeden. Een keer wordt zulke uitsloverij beloond met een paring. Man springt op vrouw, bewaart hevig fladderend zijn evenwicht en klaar alweer. Even heeft hij zijn staart om die van haar geplooid, zijn cloaca tegen de hare gedrukt. De cloaca is de lichaamsopening waarmee vogels poepen, plassen, eieren leggen en paren. Na de daad stapt het mannetje zelfvoldaan rond met laag gestrekte hals en opgezette veren. Daarna nog even knorkwakend fladderen en de paarband is bezegeld. Steltlopers spelen vaak een omslachtig voorspel en houden de vrijage zelf kort. Maar soms ook niet… We zien twee drietenen door het gras scharrelen, zo te zien op zoek naar lekkernijen. Soms pikken ze iets op. Ze dralen wat om elkaar heen, schurken zich tegen elkaar aan en hopla, daar springt het mannetje erop. Ik sta op tien meter afstand en durf me niet te bewegen om mijn fototoestel te pakken. Door de kijker zie ik ze close-up bezig, hun staarten vouwen zich herhaaldelijk om elkaar heen. Als hun cloaca’s elkaar vinden, kwettert het mannetje zacht allerlei geluidjes. Het zijn vast lieve geluidjes, of misschien zegt hij iets spannends. Het vrouwtje lijkt het althans te waarderen; ze laat haar minnaar zeker twee minuten toe.

‘Twee minuten? Wauw!’ De Deense vogelaar Jannik is onder de indruk als we het hem ’s avonds vertellen. ‘Dat is een recordtijd!’ Hij peinst even. ‘voor strandlopers dan hè?’ Hij vraagt of we nou eindelijk eens een vogel hebben gevangen. Nee, dat niet. Aan tafel wordt een weddenschap afgesloten. Aan de muur komt een namenlijstje met datum en tijd waarop men denkt dat wij onze eerste drieteen vangen.

Groenland 1 – Muggen

Mug

Een van de vele muggen, Zackenberg, Groenland

Drieteenstrandlopers broeden op de toendra. Daar is het ’s zomers dag en nacht licht. Altijd is er voedsel – muggen! Die wolken op uit de korte toendravegetatie. Als we bezweet van de klim over een zompige berghelling bij een strandlopergezin belanden, trek ik mijn trui uit.

‘Tjee’, hoor ik Jeroen zeggen, ‘je t-shirt zit vol bloedvlekken van geplette muggen. Het lijkt de bolletjestrui van de Tour de France wel. Nou, die heb je ook verdiend omdat je zo snel boven was!’

We bespieden de strandlopers. Muggen. De pet met muggennet is benauwd en belemmert het uitzicht. Grijze vlekjes kruipen voor mijn ogen. Voor elk oog verdringen zich er vier op het netje. Toen de eerste Groenlandse mug me stak, zwelde een bult op als een kers. Eén krabje en het bloed biggelde eruit. Het hield niet op.

Ze zijn wat zwarter dan onze muggen, maar verder lijken ze er sprekend op. Toch leiden ze een ander leven. Negen, tien maanden als eitje in de bevroren grond en twee, drie maanden vogels en zoogdieren sarren. Niet alleen ’s nachts of in donker moerasbos, zoals bij ons. Want nacht is het nooit en bos is er niet. Juist in de volle zon zijn ze op hun best. Of slechtst, vanuit onze optiek.

Deze muggen zoeken niet, zoals bij ons, op hun gemak een plekje huid om te prikken. Ze vliegen doelgericht aan en boren zich in je huid, terwijl hun poten in een trosje naar buiten bungelen. Dat moet een manier zijn om in dierenvacht door te