Categorie archief: Dagboeken

Natuurdagboeken zoals oorspronkelijk gepubliceerd in dagblad Trouw door Koos Dijksterhuis.

Mauretaans dagboek: Dribbelaar

Als we drieteenstrandlopers vangen, brengen we ze in een krat per auto naar het veldstation, waar we ze meten, wegen en ringen. Uit het gewicht is onder meer af te leiden of ze in conditie zijn. Als maat voor hun omvang gelden de vleugellengte, de kopomvang, de lengte van hun teen en vooral van hun tarsus. De tarsus is bij een vogel wat bij ons de voet is. Bij vogels staat die voet rechtop, ze lopen op hun tenen. Wat een knie lijkt is hun enkel. Drietenen lopen op drie tenen aan elke voet. Alle andere strandlopers hebben een vierde teen die naar achteren steekt. Drietenen niet en ik heb eens gelezen dat ze daarom zo goed kunnen rennen. Maar Jeroen betwijfelt dat, en bewezen is het niet. Hoe dan ook, drietenen zijn echte loopvogels. Ze rennen langs de waterlijn aan zee.

Ze overwinteren op stranden van Schotland tot Zuid-Afrika. Sommige blijven in Nederland, andere gaan naar Mauretanië, de volgende gaan naar Ghana. Tegenover de langere vliegreis staat een hogere temperatuur en een lager energieverbruik. Jeroen wil achterhalen wat de voor- en nadelen van die drie plekken zijn.

Drietenen broeden heel noordelijk, er zijn maar weinig gebieden noordelijk genoeg: enkele Canadese eilanden, het noorden van het Siberische schiereiland Taimyr en Noord-Groenland. Daar brengt Jeroen drie zomers door. In twee zomermaanden je kuikens grootbrengen, is haastwerk. Sommige drietenen zouden zelfs twee gezinnen opvoeden. Maar dat blijkt een mythe, ontdekt Jeroen in Groenland. Hoe? Lees het in Een Groenlander in Afrika.

(Oorspronkelijk gepubliceerd 28  jan. 2009)

Mauretaans dagboek: Kanoet

Een lannervalk in het dorpje Iwik. © FOTO JEROEN RENEERKENS

Met eb vallen de wadplaten en zeegrasvelden in de Banc d’Arguin droog. Ideaal voor kanoeten. Kanoeten eten schelpdiertjes. Die slikken ze zonder kauwen door en kraken ze in hun gespierde maag. De weekdieren graven zich in, maar kanoeten vinden ze met een vleermuis-achtige techniek. Hun snavelpunt zit vol hooggevoelige zenuwen. Door in de bodem te pikken, veroorzaakt een kanoet een drukgolfje. Dat plant zich voort, wordt door schelpen teruggekaatst en opgevangen door de snavel. De sonarsnavel is ontdekt door bioloog Theunis Piersma. Het systeem werkt niet in droge of doorweekte, alleen in vochtige grond. Kanoeten zoeken daarom altijd voedsel op de grens van nat en droog. Op het wad dus. Kanoeten houden van gezelschap en zoeken in groepen naar voedsel. Vlakbij de kust liggen de grootste porties. Toch trekken de meeste kanoeten ver het wad op. Het viel bioloog Piet van den Hout op dat vooral jonge vogels aan de kust blijven. Die zijn nog niet gepokt en gemazeld. Voor hen is de snelle hap aan de kust verleidelijk. Maar in een kleine groep zijn ze kwestbaar voor valken. Valken vallen regelmatig kanoeten aan. Die vliegen dan massaal op. In grote zwermen is het veiliger dan in kleine. Toch zitten er altijd wel wat volwassen vogels tussen de jonkies aan de kust. Waarnemingen van gekleurringde vogels geven Piet het idee dat die volwassen vogels er hooguit een paar dagen blijven. Hij vermoedt dat ze verzwakt zijn en het valkenrisico nemen om aan te sterken. Voor hen valt het risico trouwens mee. Een valk krijgt eerder een onervaren jonge vogel te pakken.

(oorspronkelijk gepubliceerd 27 jan. 2009)

Mauretaans dagboek: Te korte snorkel in de vloed

In zee verschijnen vaak rugvinnen: dolfijnen. We hebben een bootje. De dolfijnen zwemmen mee en duiken er onderdoor. Zelf zwemmen we soms ook, bij wijze van douche. We zwemmen niet met dolfijnen. Wel bijna met haaien. Als we door de telescoop ringen staan af te lezen, voel ik de vloed langs mijn benen omhoog kruipen. Tien meter voor ons steken haaienvinnen uit de soep van waaierend zeegras. Twee haaien van anderhalve meter. Voor de zekerheid waden we vast naar het bootje.

Aan de overkant van een geul draven kanoeten rond, als naaimachientjes in de bodem pikkend. Maar wacht, één heeft problemen. Zijn ene pootje zit klem. Hij worstelt om los te komen. Is het een schelp die hem gevangen houdt? Een steen? Het is niet te zien. De vloed komt op. Hij zal weldra ten onder gaan. Eén van ons waadt erheen maar zakt meteen tot zijn kruis in het slijk. De vogel is onbereikbaar. Het water stijgt. Zijn soortgenoten, familieleden misschien, negeren zijn wanhopige gespartel. Ze blijven eten tot het water hun tenen overspoelt. In één beweging stijgen ze op en snorren ze naar hoger, droger terrein. De beklemde kanoet blijft alleen achter. Het water kruipt omhoog langs zijn poten, golfjes kabbelen tegen zijn buik. Zijn flanken en vleugels raken doorweekt. Alleen zijn kopje steekt nog boven water uit. Tot ook dat onder water verdwijnt. Nog zeker een paar minuten ploetert hij door en telkens als hij verdwijnt, steekt hij toch weer zijn snavel omhoog. Tot ook die snorkel te kort blijkt. Bedrukt lopen we verder.

(oorspronkelijk gepubliceerd 26 jan. 2009)

Mauretaans dagboek: Zes reuzensnavels

Het dorpje Iwik is een Imraguen-dorp. Imraguen is een verzamelnaam voor Mauretaanse vissers die geen zwarte huid hebben, maar ook geen Arabieren zijn. In de Banc d’Arguin mogen de Imraguen van Iwik vissen, maar verder niemand. En zij mogen alleen vissen met ongemotoriseerde schepen. Regelmatig vissen er Senegalese illegalen met motorbootjes. Soms, als er een internationaal inspectieteam bij is, rukt de politie uit om bootjes af te pakken en vissers af te blaffen.

De vissers van Iwik varen door een diepe geul naar hun dorp. Hun stoere, houten zeilschepen zijn een schilderachtige achtergrond als we bij het klapnet op een vangst wachten. ’s Morgens vroeg houden rijen steenlopers de relingen bezet, allemaal op één oranje poot, hun kop in de veren. In de verte zweeft een roze linie flamingo’s over de donkerblauwe zee, witte zilverreigers en zwarte rifreigers, verschillende soorten sterns; er zijn genoeg vogels te zien. Soms dendert een torpedo voorbij, die zich in een uiteen stuivende wolk steltlopers stort. Dat is dan een Barbarijse valk, een slechtvalk of een lannervalk. Meeuwen zijn er ook. Mantelmeeuwen, grijskopmeeuwen en vooral dunbekmeeuwen. De laatste komen af op de rottende visprut die dorpelingen hebben gestort, en waar wij het net hebben geplaatst. We vangen ze zelfs, maar laten ze meteen weer vrij. Er komen nog lijviger gasten af op de rottende vis-aroma’s. Ze komen aangepeddeld en beklimmen de hoge, steile strandwal. Dat kunnen wij niet zien, maar ineens verschijnen er zes grote, witte vogelkoppen met zes reuzensnavels. Ze gluren over de strandrand, maar komen niet hoger. Zes bakkesen van pelikanen.

(oorspronkelijk gepubliceerd 24 jan. 2009)

Mauretaans dagboek: De man in blauw

We lopen langs zee. Honderden wenkkrabben houden ons in de gaten. Ze golven als rode tapijtjes weg. Regenwulpen kraken ze met hun lange, terneergeslagen snavel. Er liggen duizenden tweekleppigen, ze worden bloedkokkels genoemd, maar het zijn arka’s: Anadara senilis. Reuzenslakkenhuizen kruipen over dikke pakketten zeegras. De slakken hebben een schelp van soms wel dertig centimeter, maar een nog grotere voet, te groot om in het huis te verbergen. Er zijn bolle en slanke. De bolle heten Cymbium pepo, de slanke Cymbium cymbium. Die heeft een ronde richel om de top, waarop je een lege schelp kunt neerzetten.

Omdat ik schelpen zoek, blijf ik achter. Een man in een blauwe jurk en hoofddoek loopt al een tijdje achter en nu naast me. Als ik een schelp wil oprapen, schiet hij toe en grist hij hem weg, waarna hij hem mij aanbiedt. Ik neem de eerste schelp aan en zeg sjoekran, want Arabisch is hier de officiële taal. Meteen zwelt de stroom aangeboden schelpen aan tot onhandelbare omvang. Ik bedank nogmaals, maar nu voor de eer en haal de anderen in. We tellen strandlopers, terwijl een visarend overvliegt. Vlak naast ons gaat de blauwe man languit op het zand liggen. Blijkbaar hoort hij er helemaal bij en heeft hij niets te doen. Als we verder lopen, loopt hij weer mee. Hij zucht en gebaart dat we zo ver lopen en dat hij wil uitrusten. Glimlachend heffen wij onze handen op, ten teken dat wij het ook niet kunnen helpen. Dan verdwijnt hij in hetzelfde niets als waaruit hij eerder verscheen.

(oorspronkelijk gebpubliceerd 23 jan. 2009)

Mauretaans dagboek: Vangst

We zitten in het mulle zand in de schaduw van een uit drijfhout, visnet en landbouwplastic vervaardigde schutting. Het koord naar het klapnet ligt onder handbereik. Dorpskinderen en enkele volwassenen komen om ons heen staan. Ook kippen scharrelen toe. Twee schattig uitziende meisjes slepen een dood geitje mee en bieden het ons aan. Wij bedanken beleefd. Ze duwen het geitje tegen ons aan, sleuren het dan aan één poot mee naar het water en smijten het in zee. De drietenen naderen het net bijna dicht genoeg. Een man loopt er vlak langs en jaagt ze op. Ze snorren uit zicht achter de steile strandwal. Maar ze dribbelen terug. Jeroen pakt het koord en kijkt gespannen. ‘Nog heel even en dan…’ Dan rijdt de parkwachter zijn pick-up rakelings langs de scheerlijnen. De vogels vluchten. Het wachten duurt lang en de toeschouwers druipen af, rondslingerend afval vertrappend. Ook de kippen druipen af, maar een kloek met negen kuikens stevent op het net af. Daar sjouwen wat steenlopers rond en zeven drietenen. De meeste blijven net buiten bereik van het net. Langer wachten heeft geen zin. Het is vloed geweest en de vogels zullen weldra het wad opzoeken. Jeroen rukt aan het koord, het net flapt door de lucht en vangt vijf drietenen. Als bijvangst hebben we een kip en acht steenlopers, veel zwaardere jongens dan drieteentjes. De drietenen worden gekleurringd. Eén van de zeven heeft die kleurtjes al, die is vorig jaar geringd. Er vliegen al honderden geringde drietenen rond en steeds vaker wordt er op trek zo’n beestje in Europa teruggezien.

(oorspronkelijk gepubliceerd 22 jan. 2009)

Mauretaans dagboek: De vishopen

Het vissersdorpje Iwik ligt in het mulle zand aan zee. Het bestaat uit krotten van planken, golfplaat en platgeslagen oliedrums, bijeengegord met stukken visnet. Een strook zand aan de zeezijde fungeert als dorpsplein. Er liggen enkele lanches aan de steile strandwal: rondborstige, houten vissersschepen met één groot zeil. Het dorpsplein is tevens vuilnisbelt. Bergen visafval rotten er weg en overal slingeren vissen, visgraten en vissenkoppen rond. Er ligt zelfs een haai. Als je je voet openhaalt aan een graat, is de kans klein dat je er zonder gruwelijke infectie mee wegkomt. Toch sjouwen drieteenstrandlopers over de vishopen. Dat is moeilijk te rijmen met de veronderstelling dat broeden boven de poolcirkel hygiënische voordelen biedt, evenals overwinteren aan zee.

Aan de Noordpool en aan zee loopt een vogel minder risico op ziektekiemen, zodat een vogel energie kan besparen op het afweersysteem. Voor kanoeten lijkt dat aardig op te gaan, maar als drietenen in deze drek rotte vis en maden oppikken, dan moeten ze een microbiële dierentuin oplopen van wat heb ik jou daar. En dan bouwen ze weerstand op, want anders zouden ze ziek worden of op zijn minst zwerende poten krijgen. Jeroen is benieuwd hoe dat zit en wil uitstrijkjes nemen van keel en cloaca, het multifunctionele achterwerk van vogels. Daaruit vist Jeroen de microben.

Maar dan moeten we de vogels eerst vangen. We plaatsen een klapnet op het visafval. Het net staat op scherp, op twintig meter afstand vegen we een meter zand schoon om te wachten, een lang touw binnen bereik. Daar strijken de eerste vogels neer. Ze scharrelen naar het net…

(oorspronkelijk gepubliceerd 21 jan. 2009)

Mauretaans dagboek: Zand als sneeuw

Regelmatig rent een gerbil, een woestijnmuis, voor de auto weg en één keer een jakhals. De maan, Venus en het Zuiderkruis beschijnen het woestijnzand. Het Zuiderkruis is een reuzenvlieger van sterren. Na middernacht en een lange slingertocht door de zandduinen vinden we het veldstation: een tent en een huisje. Bij daglicht blijkt zich daarvoor het gigantische skelet van een vinvis uit te strekken. We lopen erlangs naar zee, een paar honderd meter door zand en duinen met stugge, verdroogde woestijnstruikjes. Ineens beweegt er iets. Een grote loopvogel, zandkleurig en formaat wulp. En nog één en kijk, tientallen. Ze sliepen onzichtbaar tussen de struikjes. Nu zien we hun gele ogen en snavels. Grielen zijn het, vogels van duinen en hei, die tot in de jaren vijftig in Nederland broedden. Over de woestijn zeilen drie velduilen; waarschijnlijk late trekvogels.

Het is eb en het wad is groen van de zeegrasvelden. Hier is het land geel en de zee groen. Zou onze Waddenzee vroeger ook zo groen zijn geweest? We lopen dwars door de sepka terug naar ‘huis’. De sepka is een kale, platte strandvlakte van hard zand met fossiele schelpjes. Tijdens winterse springvloed wordt de sepka bij westerstorm nog wel eens nat. Het wordt heet. De zon brandt te fel om zonder zonnebril rond te kijken. Het zand blikkert als een sneeuwveld. Tropisch of arctisch; het broed- en overwinteringsgebied van drieteenstrandlopers zijn de tegengestelden die elkaar raken. Beide leefmilieus zijn even hard en extreem. Ze zoeken het wel uit, die drieteentjes.

(oorspronkelijk gepubliceerd 20 jan. 2009)

Mauretaans dagboek: Sahara aan zee

We rijden de Mauretaanse hoofdstad Nouakchott uit naar het noorden, over de nieuwe asfaltweg door de Sahara. Een ezelkar hier, een ezelkar daar, een terreinwagen, een zwaarbeladen, doorgezakte bus, wat minibusjes. Er is veel blauw op straat en wij vormen een geliefd verzetje voor de verveelde agenten. De laatste struiken gaan schuil onder plastic wegwerptasjes. Na drie uur slaan we linksaf, een zandspoor in. Vijftig kilometer piste komt uit bij nog meer blauw: de oceaan! We stappen uit bij een vissersdorpje, kijken over zee en zien een zwarte rug met een lange, zwarte rugvin.

Een orka is het. Hij duikt soms een tijdje onder, duikt dan weer op. Orka’s zullen hier wel algemeen zijn, denk ik, maar het is de enige die we zien. Jan van Genten plonzen in zee. Er vliegen dunbekmeeuwen, hun rode snavels vlammen in de zon.

Op het strand liggen rugschilden van inktvissen. We vinden een dolfijnenschedel. Die zou ik wel mee willen nemen, maar dat mag vast niet van de douane. De schildpadschilden laten we al helemaal liggen. Schelpen durf ik wel mee te nemen, al weet ik niet of dat mag.

We rijden verder over het smalle strand tussen zandduinen van de Sahara en de Atlantische Oceaan. Op een zandbank rusten kanoeten, rosse grutto’s en reuzensterns uit. Langs de waterlijn scharrelen tientallen drieteentjes, maar geen gekleurringde. Jeroen vangt en ringt ze ook op Groenland en IJsland, in Nederland en in Ghana. Hun kleurringen maken hen individueel herkenbaar. Maar als je ze wilt terugzien, moet je naar de plek waar ze geringd zijn. Drietenen zijn plaatstrouw.

(oorspronkelijk gepubliceerd 19 jan. 2009)

Mauretaans dagboek: erheen

’s Morgens om zes uur zeul ik mijn koffer naar de bushalte. Koud! Ik heb geen jas aan, want die zou straks maar ballast zijn. Ik tref Jeroen bij de trein naar Schiphol. We gaan naar Mauretanië.

In Mauretanië overwinteren tienduizenden steltlopers die in het hoge noorden hebben gebroed. Rosse grutto’s, regenwulpen, steenlopers, bontbekplevieren, bonte strandlopers, kanoetstrandlopers, krombekstrandlopers, kleine strandlopers en drieteenstrandlopers scharrelen op de slikplaten van de Moorse Waddenzee: de Banc d’Arguin. Het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) heeft er een veldstation.

Meer vogelonderzoekers van het NIOZ willen naar de Banc d’Arguin dan het aantal slaapplaatsen in de Mauretaanse woestijntent. Maar als ik een boek over drie jaar strandloperonderzoek wil schrijven, en dat wil ik, mag de Banc d’Arguin niet ontbreken. Daar vangt en ringt Jeroen Reneerkens drieteenstrandlopers.

De reislustige vogels blijken in hun winterverblijf even honkvast als in hun broedgebied in Noordoost-Groenland. Eenmaal geringd zie je ze steeds terug en dat maakt berekening mogelijk van bijvoorbeeld overlevingskans en sterfterisico. Jeroen vangt de strandlopers in het vissersdorpje Iwik, twee kilometer lopen van het veldstation.

We bereiken de Mauretaanse hoofdstad Nouakchott bij avond. De donkere stad ligt klem tussen de Sahara en de Atlantische Oceaan. Warme lucht waait de taxi in. Onzichtbaar stof nestelt zich in neus en keel. Bier, koud bier! Maar bier is onvindbaar in deze islamitische heilstaat. Ik deel een hotelkamer met twee anderen. Ik lig op een matras op de grond en word besnuffeld door nieuwsgierige kakkerlakken. Kakkerlakken zijn gezelligheidsdieren, maar mij hoeven ze niet bij hun feestjes te betrekken.

(oorspronkelijk verschenen 17 jan 2009)