Op Noordoost-Groenland groeien geen bomen, zeggen ze. Maar dan is buiten de arctische poolwilg gerekend. Waar de eerste sneeuw wegsmelt, steken wilgenkatjes hun kop op, echte wilgenkatjes. Een twijg, bij bejaarde exemplaren gegroeid tot knoestig stokje, gaat half schuil in het zand. Fier richten zich daar de katjes uit op, eerst groenig en viltig maar algauw intens roze of purper met geel. De Denen noemen de poolwilg pil, misschien vanwege de ovale vorm in felle kleuren. Er zijn hier, merk ik naarmate het seizoen vordert, veel plantensoorten en een deel ervan is een miniatuur-uitvoering van een versie bij ons. Zoals ze de miniwilg hebben, hebben ze het dwergwilgenroosje. Die roze bloem is zelfs het nationaal symbool van Groenland. De seizoenen volgen elkaar hier snel op. Van de lente tot herfst – het moet in drie maanden worden afgeraffeld. De ene week ziet het geel van de arctische klaprozen, een week later verschijnt de blauwe glans van het Jacobskruid. De pluizen van wollegras of de witte klokjes van cassiope – alles schittert in het licht van de immer laaghangende zon. De poolwilg is één van de mooiste en het hele seizoen present. Als de laatste en hoogste schaduwplekken hun sneeuwjas kwijt zijn, steken daar meteen de katjes hun vurige kleuren omhoog, terwijl hun eerste broeders al uitgepluisd zijn. Die wilgjes van het eerste uur zetten sommige valleien in juli al in hersftinten. Maar even verderop staan ze nog in volle bloei. De van lichtgeel tot wijnrood verkleurende dwergkatjes zijn in elke kleurfase schitterend, en in tegenlicht helemaal onweerstaanbaar. Wie het kleine niet eert, moet eens op de toendra rondneuzen.
Archief voor juli 2009
Groenland 7 – Kleinoden van katjes
31 juli 2009Groenland 6 – Drieteen
30 juli 2009
We zoeken nestjes op dezelfde manier als Friese kievitseizoekers. Alleen verbergen drieteenstrandlopers hun eieren veel beter dan die sullige kieviten. Ik keek een keer uit mijn raam in Nederland en zag in de verte een kievit geheimzinnig rondsluipen. Ik dacht: die heeft een nest. De kijker gepakt en ja hoor, al gauw ging de vogel draaikonten en zitten. Om een drieteentje op broeden te betrappen is meer nodig.
Jeroen wil van alles weten over drieteenstrandlopers en daarvoor moeten we ze wel vangen, hoe vervelend dat ook voor ze is. Gelukkig zijn ze als ze broeden niet bepaald opvliegend. Soms blijven ze zelfs zitten en kun je ze van het nest tillen. Ook proberen ze ons weg te lokken door even verderop net te doen of ze op de eieren plaats nemen. Of door met lage kop en bolle veren weg te vluchten. Dan lijken ze op een lemming. Misschien trapt een poolvos erin, maar wij niet.
Vossen zijn de geduchtste vijanden van de strandlopers, waarover een andere keer meer. Verder zijn hier raven, grote burgemeesters en kleine jagers, die gevaarlijk zijn voor kuikens, maar die zo schaars zijn, dat ze niet veel uitrichten. Grote burgemeesters zijn enorme meeuwen, kleine jagers zijn roofmeeuwen. Behalve vossen zijn hermelijnen gevaarlijk, al zien we maar één keer een hermelijn. Die jaagt onder de barakken in ons veldstation op lemmingen. Wolven en ijsberen zijn er nauwelijks. Muskusossen kunnen nesten vertrappen. Een van de onderzoekers hier in Groenland vond een diepe pootafdruk in de modder met onderin een geplet kuikentje. In hun lompe onwetendheid zijn grote grazers vaak grote vernielers.
Groenland 5 – Baltsende Drieteen
29 juli 2009
© foto: Gunnar Þor Halgrímsson
Jeroen en ik zakken soms tot ons middel in de sneeuw. We vorderen langzaam over de Groenlandse toendra. Eindelijk bereiken we een sneeuwvrije heuveltop. Er klinkt een zacht geluid, het houdt het midden tussen kikkergekwaak en biggengeknor. Hier leven kikkers noch biggen. Jeroen herkent het geluid als een baltsende drieteenstrandloper. En jawel hoor, daar vliegt een drieteenmannetje traag over, met razendsnel vibrerende vleugels.
‘De helicoptervlucht’, zegt Jeroen. Mooi gezicht, mooi geluid. Deze trillende vlucht doet me denken aan zo’n speelgoedvliegtuigje van rood plastic dat ik als kind bij wijze van vlieger ophield, met witte vleugels die snorrend ronddraaien. Het moet van een vogel veel vergen om dat inspannende vliegen in slowmotion vol te houden.
‘Daarom’, zegt Jeroen, ‘zal het wel aantrekkelijk zijn voor vrouwtjes. Een mannetje bewijst er immers mee dat hij kan presteren?’ Of de vogels dat zelf ook zo beredeneren is nog maar de vraag. Waarschijnlijk vinden vrouwtjes die baltsvlucht gewoon aantrekkelijk en proberen mannetjes elkaar ermee te overtroeven. Maar we kunnen niet in het 2,5 centimeter metende hersenpannetje van de drieteen kruipen. Terwijl wij over het gevoelsleven van strandlopers speculeren, blijft de knorkwakende trilvlieger volhardend vrouwelijke aandacht trekken. Hij doet dat op de grens van sneeuw en sneeuwvrij.
In de verte zijn klinkt dat knorrende gekwaak ook. Jeroen snuift minachtend als ik beweer dat het geluid van bonte strandlopers wel wat wegheeft van de drieteenzang.
’Dat schelle gesnerp? Dat lijkt er niet op!’ Jeroen heeft het niet zo op bontjes, die in lagergelegen, nat terrein broeden.
’Ik heb niets tegen bontjes’, beweert hij, al kan hij geen strandlopersoort bedenken die hij minder mooi vindt.
Groenland 4 – Nog meer muggen
28 juli 2009
Verbazingwekkend veel muggen storten zich uitgehongerd op de warmbloedige voorbijganger. Op mij dus. Groenland is 3000 bij 1500 kilometer. Er wonen evenveel mensen als in Assen. De dichtstbij ons gelegen stad is Scoresbysund. Het heeft 600 inwoners en ligt op 500 kilometer afstand. Mensen zijn hier een zeldzame prooi voor muggen. En een gemakkelijke. Omgekeerd laten zij zich gemakkelijk doodslaan, misschien omdat ze geen mensen kennen. Ze zijn er vast niet aan gewend dat hun bloeddonors terugslaan. Als wij hier niet waren, waar zouden al die muggen die ons prikken dan hun bloedworst vandaan moeten halen? Deze muggen kunnen zonder bloedmaaltijd eieren leggen, bij gebrek aan beter lukt het ook met stuifmeel van toendrabloemen. Dat lees ik in een Deens boek over Groenlandse insecten. Sommige muggen, vooral in de arctis, kunnen zich redden met ‘blomsterhonning og andre plantesafter’.
Het voortplanten lukt ze goed. Hun aantal is onvoorstelbaar. Waar je ook kijkt, is het luchtruim gespikkeld van vliegende muggen. Deetvrije muggenolie werkt twee minuten, mits je geen centimeter huid vergeet. Je blijft je insmeren tot het flesje op is. Deethoudend spul werkt een half uur, maar daar schijn je huidkanker van te kunnen krijgen. Kies ik voor de lange of de korte termijn? Ik ga binnen zitten. Maar ook binnen zijn ze. Ze vliegen mee met in- en uitlopenden, de deur staat weleens open, een hor waait uit zijn kozijn. Toen ik na een zoemende nacht uit bed klom, telde ik 150 muggen in het kamertje. Maar het kan nog erger. Jeroen laat een foto van hem zien in Canada, met zwarte handschoenen.
‘Daar had ik blote handen’, zegt hij.
Groenland 3 – Muskusossen
27 juli 2009Ons Groenlandse veldstation ligt in een driehoekige vallei tussen de fjord in het zuiden, de Zackenberg in het noordwesten en de Aucellaberg in het noordoosten. De zijden van de driehoek zijn ruim zes kilometer lang. Van noord naar zuid doorsnijdt de rivier de vallei, die een grote slinger naar rechts maakt, voor in de fjord uit te monden. In die slinger ligt een lage heuvel met het veldstation erop. Tussen de barakken liggen vossendrollen en vele stapeltjes geitenkeutels. Maar geiten zijn hier niet. De keutels zijn gepoept door muskusossen, twee meter hoge kolossen met een opgezette rug en een onwaarschijnlijk weelderige haardos. Wandelende hooibergen. In de verte kun je ze vanuit het kamp zien grazen op de karige plukjes gras, hei en mos. Overal ligt de toendra bezaait met die keutels. Ook op de sneeuw vind je ze, waar ze kogelgaten in smelten. In het Deens is een muskusos een moskusoks. Op een oude, Deense landkaart heet een streek hier in de buurt Moskusokseland. De gigantische grazers verliezen hun woeste wintervacht. Overal liggen plukken muskusossenwol, dat wij naar de Deense streeknaam muskusokselhaar noemen. Groenlanders verzamelen muskuswol, om er warme, zachte truien van te breien. Muskusossen zijn geen ossen. Natuurlijk niet, want hoe zouden ossen zich kunnen voortplanten? Muskusossen zijn ook geen koeien en stieren, al zien ze eruit als enorme runderen. Ze zijn reuzengeiten. Met hun forse, gekrulde horens bestrijden de mannen elkaar met daverende klappen. Om die klappen op te vangen groeien de twee horens aan elkaar, via een verbreding over de kruin die eruit ziet als een weelderig blond kapsel. De muskusmannen lijken allemaal op Geert Wilders.

