Archief voor 2009

Drieteenstrandloper vliegt 6000 kilometer non-stop

14 oktober 2009

De drieteenstrandloper in Zuid-Noorwegen

Geen zender, toch gespot

Een drieteenstrandloper, met een vertrekgewicht van amper een ons, vloog in minder dan vijf dagen 6000 kilometer van Noorwegen naar Ghana. De vogel werd 11 augustus 2009 gefotografeerd in een guur Zuid-Noorwegen. Op 16 augustus zag een Ghanese bioloog hem onder de kokospalmen op het strand van Esiama. De strandloper was te herkennen aan pootringetjes in verschillende kleuren. Biologen van de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit van Accra in Ghana kleurringen de vogels om hun leefwijze en overlevingskansen te onderzoeken.

Lees het persbericht hier verder

Groenland 16 – IJsbeer

9 augustus 2009

In een waarschuwingsfolder over ijsberen lees ik de truc van het ontkleden. Ik zou nu wat meer kledij kunnen afstaan, maar een boze beer met honger of met jongen taalt volgens mij niet naar rondslingerende kleren. Die valt aan en rent aanmerkelijk sneller dan ik, ondanks mijn uitstekende bergschoenen. Ze komen hier zelden, maar je zult beleven dat als er dan eens één komt, ik juist in mijn eentje rondsjouw. Beren met honger of jongen zijn er in de lente. Het is nu lente.

In een rommelhok van het veldstation liggen een paar knalgroene paraplu’s. Stichter Hans Meltofte gebruikte die tegen ijsberen. Ook op Spitsbergen, waar veel ijsberen zijn, bewapenen onderzoekers zich met paraplu’s. Als je de plu openklapt, schrikt de ijsbeer zo van het plotselinge, oogverblindende groen, dat hij op de vlucht zou slaan. Hans heeft voor Zackenberg extravagante modellen uitgezocht, waar met de plu een soort kikkergezicht met grote ogen uitklapt. Leuk voor kinderen, de schrik voor ijsberen.

Of zou het een ijsbeer juist nieuwsgierig maken? IJsberen bedoelen het meestal niet kwaad, maar hun nieuwsgierigheid kan angstaanjagend zijn. Nico Tinbergen schrijft er droog over in Eskimoland: ‘Een ijsbeer die niet aangevallen wordt, schijnt zelden gevaarlijk te zijn, en de meeste ongelukken gebeuren (…) doordat een mensch, die ergens in een gebukte houding stil bezig is, door een beer niet als een mensch herkend wordt, waarop hij het vreemde voorwerp op berenmanier onderzoekt, wat wil zeggen, dat hij het een flinke klap met de voorpoot geeft, om te zien wat het doet. Dan komt van het een het ander, en dan is een gewapend mensch beter af dan een ongewapend.’ Ik heb geen wapen. Ik heb ook geen walkietalkie of GPS. Zelfs mijn kompas heb ik niet bij me, die zit nog in mijn kleine rugzakje. Zolang het niet mist, zal ik niet verdwalen.

Groenland 15 – Poolvlinders

8 augustus 2009

rups Wollige Beer

Er vliegen in Groenland twee soorten parelmoervlinders rond. De Arctische vliegt op hoge berghellingen, de ander in het laagland. Ze hebben verschillen iets in vleugeltekening, wat alleen in de hand te bekijken is. Als het koud is, kun je ze met de hand vangen. Op welke bloemen ze hun eitjes afzetten? Ik denk dwergwilg, want dat schijnen ze in Canada ook te doen. In Europa komen ze alleen in Lapland voor. De parelmoervlinders in West-Europa houden van viooltjes en nog meer bloemen die Groenland mist.

Toen ik hier twee jaar geleden in juni was, vlogen er geen vlinders, maar vonden we wel rupsen. Kleine parelmoervlinderrupsen en dikke, zwart met gele, harige rupsen. Ook hun cocons vonden we, soms met pop, soms al leeg. Hun vlinders zijn zwart en wollig: wollige beren. Beervlinders zijn nachtvlinders, maar tijdens hun vliegtijd valt de nacht nooit. De rupsen zijn uitstekend bestand tegen de lange poolnacht, dankzij de glycerol die door hun aderen stroomt. Antivries. Ze leven zeven tot veertien jaar voor ze één zomer als vlinder rondfladderen. Zeven jaar rups voor zeven weken vlinder.

Behalve vlinders en muggen zijn hier hommels en vliegen. Drieteenstrandlopers pikken de vliegenmaden uit de rottende krengen van muskusossen. Die krengen kunnen maar twee maanden per jaar rotten en dan rotten ze goed ook. Het gonst er van de vliegen. De veronderstelling dat de strandlopers aan de Noordpool een steriele leefomgeving vinden, treden ze met hun (drietenige) voeten. Maar waarom broeden ze dan zo vreseljk noordelijk? Lees er alles over in Een Groenlander in Afrika.

Groenland 14 – Oude wijven

7 augustus 2009

Bontbekplevier

Vlakbij het veldstation ligt een plasje dat in trek is bij franjepoten en ijseenden. De laatste hebben een bruinwit verenkleed met lange puntstaart. In het Engels heten ze longtailed duck, en ook in de Verenigde Staten raakt die naam in zwang.

Daar stonden ze vanwege hun gesnater bekend als old squaws, oude wijven, maar die naam wordt racistisch gevonden omdat squaws indiaanse vrouwen zijn.

Mogen wij scholeksters nog wel bonte pieten noemen? In Afrika komt een zwarte scholekster voor. De zwarte piet?

Eskimo is ook een verboden term. Het is een indiaans woord en betekent rauw vlees-eter. In boeken staat dat Groenlanders het beledigend vinden. Inderdaad bestond het Groenlandse menu tot voor kort voor het leeuwendeel uit rauw vlees. Dat was ook wel praktisch in een land zonder hout of andere brandstof, uitgezonderd walvistraan. Zodra er een zeehond, hond of zeekoet geslacht werd, verdeelden de aanwezigen het hart, de longen en de lever. Smullen! Tegenwoordig bakken, braden en koken Groenlanders meer, maar vlees lusten ze nog altijd rauw. Een Groenlander geeft me zeehondenvlees. Lekker is het niet, wel rauw. Hij schaamt zich er niet voor. Waarom zou hij ook? Zijn Europese bloedworst en Amerikaanse filet niet ook rauw? Eskimo zal door de Cree-indianen wel denigrerend bedoeld zijn.

foto Sneeuwgors man

Sneeuwgors man

Zoals Nederlanders kaaskoppen genoemd worden. We moeten Eskimo’s Inuit noemen in plaats van Eskimo’s. Eén Inuuk, twee of meer Inuit. Zo noemen ze zichzelf immers ook? Ja natuurlijk, Inuit betekent mensen, en zo noemen mensen zichzelf. Emil ook, maar op de vraag of hij Eskimo een vies woord vindt, schudt hij verbaasd zijn hoofd. Het lijkt hem niets uit te maken.

.

Groenland 13 – Droge kont

6 augustus 2009

Dryas integrifolia

Die bloemen hier! Ik zou u ze willen laten zien: cassiope, de stugge miniplantjes met op pyrola lijkende bloempjes, hangend als klokjes. De arctische klaprozen die in citroengele pollen de kaalste berghellingen kleuren. De zon schijnt er dwars doorheen. Het Jacobskruid en de Arctische goudsbloem. De laatste is handig als je op oud, glad ijs je knie openhaalt. Op oud ijs zit een vlies van bacteriën en goudsbloem ontsmet. Het wollegras, de steenbreken, ranonkels en silenes. De drie soorten kartelblad en het alpenroosje. Maar om nou over elke poolbloem een natuurdagboek vol te pennen…

Dat wollegras is Scheuchzers wollegras. Het is een éénarige wollegras, met een wollige bloem, die na de bloei een gele kuif krijgt. Hij groeit ook op de toendra’s van Spitsbergen en Lapland, en op hoge Alpenweiden. Vandaar zijn naam. Die is zo uit de Sound of Music gestapt, je ziet de Lederhosen voor je.

Eén van de mooiste en tevens behulpzaamste planten op de Groenlandse toendra is dryas integrifolia – subtiele witte bloempjes met een geel hartje. Ze vormen tot de kaalste puinhellingen begroeide eilandjes, waarop drietenen kunnen broeden. Heel vaak zitten ze op een toefje dryas. Dat doen ze misschien omdat ze tussen de plantjes een kuiltje kunnen wroeten, maar vooral omdat het er droog is. Ook waar de helling er droog uitziet, kun je tot je knie in zuigende modder zakken. Dryas groet daar waar de sneeuw gesmolten en het smeltwater verdampt is. Als we willen zitten, ploffen we neer op dryas. Daar houd je je kont droog. Dat maakt de naam dryas makkelijk te onthouden, omdat je er een dry ass houdt