Archief ‘Dagboeken’

Mauretaans dagboek: Dribbelaar

15 mei 2010

Als we drieteenstrandlopers vangen, brengen we ze in een krat per auto naar het veldstation, waar we ze meten, wegen en ringen. Uit het gewicht is onder meer af te leiden of ze in conditie zijn. Als maat voor hun omvang gelden de vleugellengte, de kopomvang, de lengte van hun teen en vooral van hun tarsus. De tarsus is bij een vogel wat bij ons de voet is. Bij vogels staat die voet rechtop, ze lopen op hun tenen. Wat een knie lijkt is hun enkel. Drietenen lopen op drie tenen aan elke voet. Alle andere strandlopers hebben een vierde teen die naar achteren steekt. Drietenen niet en ik heb eens gelezen dat ze daarom zo goed kunnen rennen. Maar Jeroen betwijfelt dat, en bewezen is het niet. Hoe dan ook, drietenen zijn echte loopvogels. Ze rennen langs de waterlijn aan zee.

Ze overwinteren op stranden van Schotland tot Zuid-Afrika. Sommige blijven in Nederland, andere gaan naar Mauretanië, de volgende gaan naar Ghana. Tegenover de langere vliegreis staat een hogere temperatuur en een lager energieverbruik. Jeroen wil achterhalen wat de voor- en nadelen van die drie plekken zijn.

Drietenen broeden heel noordelijk, er zijn maar weinig gebieden noordelijk genoeg: enkele Canadese eilanden, het noorden van het Siberische schiereiland Taimyr en Noord-Groenland. Daar brengt Jeroen drie zomers door. In twee zomermaanden je kuikens grootbrengen, is haastwerk. Sommige drietenen zouden zelfs twee gezinnen opvoeden. Maar dat blijkt een mythe, ontdekt Jeroen in Groenland. Hoe? Lees het in Een Groenlander in Afrika.

(Oorspronkelijk gepubliceerd 28  jan. 2009)

Delen:
  • Print
  • Facebook
  • Hyves
  • PDF
  • Google Bookmarks
  • Live
  • MySpace
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Yahoo! Bookmarks
  • BlinkList

Mauretaans dagboek: Kanoet

14 mei 2010

Een lannervalk in het dorpje Iwik. © FOTO JEROEN RENEERKENS

Met eb vallen de wadplaten en zeegrasvelden in de Banc d’Arguin droog. Ideaal voor kanoeten. Kanoeten eten schelpdiertjes. Die slikken ze zonder kauwen door en kraken ze in hun gespierde maag. De weekdieren graven zich in, maar kanoeten vinden ze met een vleermuis-achtige techniek. Hun snavelpunt zit vol hooggevoelige zenuwen. Door in de bodem te pikken, veroorzaakt een kanoet een drukgolfje. Dat plant zich voort, wordt door schelpen teruggekaatst en opgevangen door de snavel. De sonarsnavel is ontdekt door bioloog Theunis Piersma. Het systeem werkt niet in droge of doorweekte, alleen in vochtige grond. Kanoeten zoeken daarom altijd voedsel op de grens van nat en droog. Op het wad dus. Kanoeten houden van gezelschap en zoeken in groepen naar voedsel. Vlakbij de kust liggen de grootste porties. Toch trekken de meeste kanoeten ver het wad op. Het viel bioloog Piet van den Hout op dat vooral jonge vogels aan de kust blijven. Die zijn nog niet gepokt en gemazeld. Voor hen is de snelle hap aan de kust verleidelijk. Maar in een kleine groep zijn ze kwestbaar voor valken. Valken vallen regelmatig kanoeten aan. Die vliegen dan massaal op. In grote zwermen is het veiliger dan in kleine. Toch zitten er altijd wel wat volwassen vogels tussen de jonkies aan de kust. Waarnemingen van gekleurringde vogels geven Piet het idee dat die volwassen vogels er hooguit een paar dagen blijven. Hij vermoedt dat ze verzwakt zijn en het valkenrisico nemen om aan te sterken. Voor hen valt het risico trouwens mee. Een valk krijgt eerder een onervaren jonge vogel te pakken.

(oorspronkelijk gepubliceerd 27 jan. 2009)

Delen:
  • Print
  • Facebook
  • Hyves
  • PDF
  • Google Bookmarks
  • Live
  • MySpace
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Yahoo! Bookmarks
  • BlinkList

Mauretaans dagboek: Te korte snorkel in de vloed

21 april 2010

In zee verschijnen vaak rugvinnen: dolfijnen. We hebben een bootje. De dolfijnen zwemmen mee en duiken er onderdoor. Zelf zwemmen we soms ook, bij wijze van douche. We zwemmen niet met dolfijnen. Wel bijna met haaien. Als we door de telescoop ringen staan af te lezen, voel ik de vloed langs mijn benen omhoog kruipen. Tien meter voor ons steken haaienvinnen uit de soep van waaierend zeegras. Twee haaien van anderhalve meter. Voor de zekerheid waden we vast naar het bootje.

Aan de overkant van een geul draven kanoeten rond, als naaimachientjes in de bodem pikkend. Maar wacht, één heeft problemen. Zijn ene pootje zit klem. Hij worstelt om los te komen. Is het een schelp die hem gevangen houdt? Een steen? Het is niet te zien. De vloed komt op. Hij zal weldra ten onder gaan. Eén van ons waadt erheen maar zakt meteen tot zijn kruis in het slijk. De vogel is onbereikbaar. Het water stijgt. Zijn soortgenoten, familieleden misschien, negeren zijn wanhopige gespartel. Ze blijven eten tot het water hun tenen overspoelt. In één beweging stijgen ze op en snorren ze naar hoger, droger terrein. De beklemde kanoet blijft alleen achter. Het water kruipt omhoog langs zijn poten, golfjes kabbelen tegen zijn buik. Zijn flanken en vleugels raken doorweekt. Alleen zijn kopje steekt nog boven water uit. Tot ook dat onder water verdwijnt. Nog zeker een paar minuten ploetert hij door en telkens als hij verdwijnt, steekt hij toch weer zijn snavel omhoog. Tot ook die snorkel te kort blijkt. Bedrukt lopen we verder.

(oorspronkelijk gepubliceerd 26 jan. 2009)

Delen:
  • Print
  • Facebook
  • Hyves
  • PDF
  • Google Bookmarks
  • Live
  • MySpace
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Yahoo! Bookmarks
  • BlinkList

Mauretaans dagboek: Zes reuzensnavels

20 april 2010

Het dorpje Iwik is een Imraguen-dorp. Imraguen is een verzamelnaam voor Mauretaanse vissers die geen zwarte huid hebben, maar ook geen Arabieren zijn. In de Banc d’Arguin mogen de Imraguen van Iwik vissen, maar verder niemand. En zij mogen alleen vissen met ongemotoriseerde schepen. Regelmatig vissen er Senegalese illegalen met motorbootjes. Soms, als er een internationaal inspectieteam bij is, rukt de politie uit om bootjes af te pakken en vissers af te blaffen.

De vissers van Iwik varen door een diepe geul naar hun dorp. Hun stoere, houten zeilschepen zijn een schilderachtige achtergrond als we bij het klapnet op een vangst wachten. ’s Morgens vroeg houden rijen steenlopers de relingen bezet, allemaal op één oranje poot, hun kop in de veren. In de verte zweeft een roze linie flamingo’s over de donkerblauwe zee, witte zilverreigers en zwarte rifreigers, verschillende soorten sterns; er zijn genoeg vogels te zien. Soms dendert een torpedo voorbij, die zich in een uiteen stuivende wolk steltlopers stort. Dat is dan een Barbarijse valk, een slechtvalk of een lannervalk. Meeuwen zijn er ook. Mantelmeeuwen, grijskopmeeuwen en vooral dunbekmeeuwen. De laatste komen af op de rottende visprut die dorpelingen hebben gestort, en waar wij het net hebben geplaatst. We vangen ze zelfs, maar laten ze meteen weer vrij. Er komen nog lijviger gasten af op de rottende vis-aroma’s. Ze komen aangepeddeld en beklimmen de hoge, steile strandwal. Dat kunnen wij niet zien, maar ineens verschijnen er zes grote, witte vogelkoppen met zes reuzensnavels. Ze gluren over de strandrand, maar komen niet hoger. Zes bakkesen van pelikanen.

(oorspronkelijk gepubliceerd 24 jan. 2009)

Delen:
  • Print
  • Facebook
  • Hyves
  • PDF
  • Google Bookmarks
  • Live
  • MySpace
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Yahoo! Bookmarks
  • BlinkList

Mauretaans dagboek: De man in blauw

18 april 2010

We lopen langs zee. Honderden wenkkrabben houden ons in de gaten. Ze golven als rode tapijtjes weg. Regenwulpen kraken ze met hun lange, terneergeslagen snavel. Er liggen duizenden tweekleppigen, ze worden bloedkokkels genoemd, maar het zijn arka’s: Anadara senilis. Reuzenslakkenhuizen kruipen over dikke pakketten zeegras. De slakken hebben een schelp van soms wel dertig centimeter, maar een nog grotere voet, te groot om in het huis te verbergen. Er zijn bolle en slanke. De bolle heten Cymbium pepo, de slanke Cymbium cymbium. Die heeft een ronde richel om de top, waarop je een lege schelp kunt neerzetten.

Omdat ik schelpen zoek, blijf ik achter. Een man in een blauwe jurk en hoofddoek loopt al een tijdje achter en nu naast me. Als ik een schelp wil oprapen, schiet hij toe en grist hij hem weg, waarna hij hem mij aanbiedt. Ik neem de eerste schelp aan en zeg sjoekran, want Arabisch is hier de officiële taal. Meteen zwelt de stroom aangeboden schelpen aan tot onhandelbare omvang. Ik bedank nogmaals, maar nu voor de eer en haal de anderen in. We tellen strandlopers, terwijl een visarend overvliegt. Vlak naast ons gaat de blauwe man languit op het zand liggen. Blijkbaar hoort hij er helemaal bij en heeft hij niets te doen. Als we verder lopen, loopt hij weer mee. Hij zucht en gebaart dat we zo ver lopen en dat hij wil uitrusten. Glimlachend heffen wij onze handen op, ten teken dat wij het ook niet kunnen helpen. Dan verdwijnt hij in hetzelfde niets als waaruit hij eerder verscheen.

(oorspronkelijk gebpubliceerd 23 jan. 2009)

Delen:
  • Print
  • Facebook
  • Hyves
  • PDF
  • Google Bookmarks
  • Live
  • MySpace
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Yahoo! Bookmarks
  • BlinkList